voorlichten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemands pad belichten, bijschijnen
- iemand instructie geven, leren hoe met iets omgegaan moet worden
Vervoeging van voorlichten
voorlichtenhele werkwoord — lichtte voorverleden tijd enkelvoud — lichtten voorverleden tijd meervoud — voorgelichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | licht voor | lichtte voor |
| jij | licht voor | lichtte voor |
| hij, zij, het | licht voor | lichtte voor |
| wij | lichten voor | lichtten voor |
| jullie | lichten voor | lichtten voor |
| zij | lichten voor | lichtten voor |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgelicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgelicht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgelicht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgelicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgelicht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgelicht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgelicht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgelicht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgelicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgelicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgelicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgelicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgelicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgelicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgelicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgelicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| licht voor | gebiedende wijs |
| lichtte voor | verleden tijd |
| te hebben voorgelicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorlichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te lichten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen lichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal lichten | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou lichten | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden lichten | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt lichten | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen lichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen lichten | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult lichten | bijzin, toekomende tijd |
| voorgelicht | verleden tijd, deelwoord |
| voorgelicht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelicht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelicht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelicht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelicht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelicht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelicht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelicht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelicht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelicht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorlicht | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorlichtend | onvoltooid, deelwoord |
| voorlichtte | bijzin, verleden tijd |
| voorlichtten | bijzin, verleden tijd |
| waart voorgelicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgelicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgelicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgelicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgelicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgelicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgelicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgelicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgelicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgelicht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgelicht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelicht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorlichten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgelicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgelicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorlichten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorlichten voor zou(dt) lichten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgelicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgelicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgelicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgelicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgelicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorlichten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgelicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgelicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorlichten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgelicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgelicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgelicht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgelicht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgelicht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgelicht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorlichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorlichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorlichten | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgelicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorgelicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord voorlicht
Herkomst
samenstelling van voor bw en lichten ww
Woordfamilie van voorlichten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| licht voor | gebiedende wijs | voorlichten |
| lichte voor | woordvorm | voorlichten |
| lichten voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorlichten |
| lichtte voor | verleden tijd | voorlichten |
| lichtten voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorlichten |
| voorgelicht | voltooid deelwoord | voorlichten |
| voorgelichte | woordvorm | voorlichten |
| voorlichte | with-subordinate-clause | voorlichten |
| voorlichtend | onvoltooid deelwoord | voorlichten |
| voorlichtende | woordvorm | voorlichten |
| voorlichtte | subordinate-clause, verleden tijd | voorlichten |
| voorlichtten | subordinate-clause, verleden tijd | voorlichten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorlichten zijn vastgelegd.