ineengrijpen
werkwoordBetekenis
- tandsgewijs in aanraking met elkaar zijn
Vervoeging van ineengrijpen
ineengrijpenhele werkwoord — greep ineenverleden tijd enkelvoud — grepen ineenverleden tijd meervoud — ineengegrepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grijp ineen | greep ineen |
| jij | grijpt ineen | greep ineen |
| hij, zij, het | grijpt ineen | greep ineen |
| wij | grijpen ineen | grepen ineen |
| jullie | grijpen ineen | grepen ineen |
| zij | grijpen ineen | grepen ineen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| greep ineen | verleden tijd |
| grijp ineen | gebiedende wijs |
| had ineengegrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ineengegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ineengegrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ineengegrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ineengegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ineengegrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ineengegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ineengegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ineengegrepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ineengegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ineengegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ineengegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ineengegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ineengegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ineengegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ineen te grijpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ineen te zullen grijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineen zal grijpen | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zou grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zouden grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zoudt grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zullen grijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineen zullen grijpen | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zult grijpen | bijzin, toekomende tijd |
| ineengegrepen | verleden tijd, deelwoord |
| ineengegrepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineengegrepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineengreep | bijzin, verleden tijd |
| ineengrepen | bijzin, verleden tijd |
| ineengrijp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ineengrijpend | onvoltooid, deelwoord |
| ineengrijpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben ineengegrepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ineengrijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ineengegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ineengegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ineengegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ineengrijpen | bijzin, toekomende tijd |
| zou ineengegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ineengegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ineengegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ineengrijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ineengrijpen ineen zou(dt) grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ineengegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ineengegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ineengegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ineengrijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ineengegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ineengrijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ineengegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ineengegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ineengegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ineengrijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ineengrijpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ineengegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ineengrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ineengrijpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal ineengrijpen ineen zult/zal grijpen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van ineen en grijpen
Woordfamilie van ineengrijpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| greep ineen | verleden tijd | ineengrijpen |
| grepen ineen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ineengrijpen |
| grijp ineen | gebiedende wijs | ineengrijpen |
| grijpe ineen | woordvorm | ineengrijpen |
| grijpen ineen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ineengrijpen |
| grijpt ineen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ineengrijpen |
| ineengegrepen | voltooid deelwoord | ineengrijpen |
| ineengreep | subordinate-clause, verleden tijd | ineengrijpen |
| ineengrepen | subordinate-clause, verleden tijd | ineengrijpen |
| ineengrijp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ineengrijpen |
| ineengrijpe | with-subordinate-clause | ineengrijpen |
| ineengrijpend | onvoltooid deelwoord | ineengrijpen |
| ineengrijpende | woordvorm | ineengrijpen |
| ineengrijpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ineengrijpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ineengrijpen zijn vastgelegd.