indiceren
werkwoordBetekenis
- een aanwijzing zijn voor
- aanwijzen van zorg, welke hulpmiddelen iemand krijgt, op welke locatie iemand geholpen wordt
- op de index plaatsen, een index maken van, indexeren
Vervoeging van indiceren
indicerenhele werkwoord — indiceerdeverleden tijd enkelvoud — indiceerdenverleden tijd meervoud — geïndiceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | indiceer | indiceerde |
| jij | indiceert | indiceerde |
| hij, zij, het | indiceert | indiceerde |
| wij | indiceren | indiceerden |
| jullie | indiceren | indiceerden |
| zij | indiceren | indiceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïndiceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïndiceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïndiceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïndiceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïndiceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïndiceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïndiceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïndiceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïndiceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïndiceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïndiceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïndiceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïndiceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïndiceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïndiceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïndiceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïndiceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïndiceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïndiceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïndiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| indiceer | gebiedende wijs |
| indiceerde | verleden tijd |
| indicere | aanvoegende wijs |
| indicerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïndiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te indiceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen indiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïndiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïndiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïndiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïndiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïndiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïndiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïndiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïndiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïndiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïndiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïndiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïndiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïndiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïndiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïndiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïndiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïndiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïndiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïndiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïndiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïndiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïndiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïndiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïndiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïndiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïndiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïndiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïndiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen indiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïndiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïndiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïndiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult indiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse indiquer of indicer of daarvoor van het Latijnse 'indicare' (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van indiceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïndiceerd | voltooid deelwoord | indiceren |
| geïndiceerde | woordvorm | indiceren |
| indiceer | gebiedende wijs | indiceren |
| indiceerde | verleden tijd | indiceren |
| indiceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | indiceren |
| indiceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | indiceren |
| indicere | aanvoegende wijs | indiceren |
| indicerend | onvoltooid deelwoord | indiceren |
| indicerende | woordvorm | indiceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van indiceren zijn vastgelegd.