Naar de inhoud

indiceren

een aanwijzing zijn voor

indiceren

werkwoord

Betekenis

  1. een aanwijzing zijn voor
  2. aanwijzen van zorg, welke hulpmiddelen iemand krijgt, op welke locatie iemand geholpen wordt
  3. op de index plaatsen, een index maken van, indexeren

Vervoeging van indiceren

indicerenhele werkwoord — indiceerdeverleden tijd enkelvoud — indiceerdenverleden tijd meervoud — geïndiceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik indiceer indiceerde
jij indiceert indiceerde
hij, zij, het indiceert indiceerde
wij indiceren indiceerden
jullie indiceren indiceerden
zij indiceren indiceerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geïndiceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïndiceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïndiceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïndiceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïndiceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïndiceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïndiceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïndiceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïndiceerd verleden tijd, deelwoord
geïndiceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïndiceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïndiceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïndiceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïndiceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïndiceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïndiceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïndiceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïndiceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïndiceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïndiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïndiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïndiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïndiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïndiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïndiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïndiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïndiceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
indiceer gebiedende wijs
indiceerde verleden tijd
indicere aanvoegende wijs
indicerend onvoltooid, deelwoord
is geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geïndiceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te indiceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen indiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geïndiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïndiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geïndiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïndiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geïndiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geïndiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geïndiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geïndiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geïndiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïndiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïndiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geïndiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïndiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal indiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal indiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal indiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geïndiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geïndiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïndiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïndiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïndiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïndiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïndiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou indiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou indiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou indiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïndiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïndiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïndiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïndiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïndiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïndiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden indiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden indiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden indiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïndiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïndiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt indiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïndiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïndiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïndiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïndiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïndiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïndiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen indiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen indiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen indiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen indiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïndiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïndiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïndiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult indiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse indiquer of indicer of daarvoor van het Latijnse 'indicare' (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van indiceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïndiceerd voltooid deelwoord indiceren
geïndiceerde woordvorm indiceren
indiceer gebiedende wijs indiceren
indiceerde verleden tijd indiceren
indiceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon indiceren
indiceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon indiceren
indicere aanvoegende wijs indiceren
indicerend onvoltooid deelwoord indiceren
indicerende woordvorm indiceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van indiceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over indiceren

Wat betekent indiceren?
Indiceren is een werkwoord. Het woord betekent: een aanwijzing zijn voor. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je indiceren?
Je vervoegt indiceren als volgt: de tegenwoordige tijd is indiceer, de verleden tijd is indiceerde en het voltooid deelwoord is geïndiceerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord indiceren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. D 2
  4. I 1
  5. C 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

indiceren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. D 2
  4. I 2
  5. C 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

indiceren in het kort

indiceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van indiceren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort indiceren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

indiceren: een aanwijzing zijn voor
Deel indiceren — standaardnederlands.nl