inburgeren
werkwoordBetekenis
- wennen in een nieuwe cultuur en het aanleren van de plaatselijke taal
- moeite doen zich aan te passen aan een nieuwe omgeving
- Vooral indien het werkwoord toegepast wordt op iets anders dan een persoon volgt vaak een ergatieve constructie met raken
Vervoeging van inburgeren
inburgerenhele werkwoord — burgerde inverleden tijd enkelvoud — burgerden inverleden tijd meervoud — ingeburgerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | burger in | burgerde in |
| jij | burgert in | burgerde in |
| hij, zij, het | burgert in | burgerde in |
| wij | burgeren in | burgerden in |
| jullie | burgeren in | burgerden in |
| zij | burgeren in | burgerden in |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| burger in | gebiedende wijs |
| burger u/je in, burgert je in | gebiedende wijs |
| burgerde in | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te burgeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen burgeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal burgeren | bijzin, toekomende tijd |
| in zou burgeren | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden burgeren | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt burgeren | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen burgeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen burgeren | bijzin, toekomende tijd |
| in zult burgeren | bijzin, toekomende tijd |
| inburger | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inburgerde | bijzin, verleden tijd |
| inburgerden | bijzin, verleden tijd |
| inburgerend | onvoltooid, deelwoord |
| inburgert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ingeburgerd | verleden tijd, deelwoord |
| ingeburgerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeburgerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn ingeburgerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inburgeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeburgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeburgerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeburgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeburgerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeburgerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeburgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeburgerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inburgeren | bijzin, toekomende tijd |
| zal ingeburgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeburgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeburgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me inburgeren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich inburgeren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je inburgeren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich inburgerend | onvoltooid, deelwoord |
| zich ingeburgerd hebben | verleden tijd |
| zijn ingeburgerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeburgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inburgeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou ingeburgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeburgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeburgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) inburgeren in zou(dt) burgeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inburgeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeburgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeburgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeburgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inburgeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeburgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen inburgeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inburgeren | bijzin, toekomende tijd |
| zullen ingeburgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeburgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeburgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je inburgeren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons inburgeren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich inburgeren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult inburgeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inburgeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeburgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult u inburgeren | tweede persoon |
| zult u inburgeren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u inburgeren | tweede persoon |
| zult zich/u inburgeren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal inburgeren in zult/zal burgeren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘opgenomen worden in een (taal)gemeenschap’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van inburgeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| burger in | gebiedende wijs | inburgeren |
| burgerde in | verleden tijd | inburgeren |
| burgerden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inburgeren |
| burgere in | woordvorm | inburgeren |
| burgeren in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inburgeren |
| burgert in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inburgeren |
| inburger | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inburgeren |
| inburgerde | subordinate-clause, verleden tijd | inburgeren |
| inburgerden | subordinate-clause, verleden tijd | inburgeren |
| inburgere | with-subordinate-clause | inburgeren |
| inburgerend | onvoltooid deelwoord | inburgeren |
| inburgerende | woordvorm | inburgeren |
| inburgert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inburgeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inburgeren zijn vastgelegd.