improviseren
werkwoordBetekenis
- iets bedenken zonder vooropgesteld plan
- acteren zonder script.
Vervoeging van improviseren
improviserenhele werkwoord — improviseerdeverleden tijd enkelvoud — improviseerdenverleden tijd meervoud — geïmproviseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | improviseer | improviseerde |
| jij | improviseert | improviseerde |
| hij, zij, het | improviseert | improviseerde |
| wij | improviseren | improviseerden |
| jullie | improviseren | improviseerden |
| zij | improviseren | improviseerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geïmproviseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïmproviseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïmproviseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïmproviseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïmproviseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïmproviseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïmproviseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïmproviseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïmproviseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïmproviseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïmproviseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïmproviseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïmproviseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïmproviseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïmproviseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïmproviseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïmproviseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïmproviseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïmproviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïmproviseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïmproviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïmproviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïmproviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïmproviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïmproviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïmproviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| improviseer | gebiedende wijs |
| improviseerde | verleden tijd |
| improvisere | aanvoegende wijs |
| improviserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïmproviseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te improviseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen improviseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geïmproviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïmproviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïmproviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geïmproviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïmproviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïmproviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïmproviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïmproviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïmproviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïmproviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïmproviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïmproviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïmproviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen improviseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïmproviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult improviseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voor het ogenblik bedenken’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van improviseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| improviseer | gebiedende wijs | improviseren |
| improviseerde | verleden tijd | improviseren |
| improviseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | improviseren |
| improviseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | improviseren |
| improvisere | aanvoegende wijs | improviseren |
| improviserend | onvoltooid deelwoord | improviseren |
| improviserende | woordvorm | improviseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van improviseren zijn vastgelegd.