Naar de inhoud

improviseren

iets bedenken zonder vooropgesteld plan

improviseren

werkwoord

Betekenis

  1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
  2. acteren zonder script.

Vervoeging van improviseren

improviserenhele werkwoord — improviseerdeverleden tijd enkelvoud — improviseerdenverleden tijd meervoud — geïmproviseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik improviseer improviseerde
jij improviseert improviseerde
hij, zij, het improviseert improviseerde
wij improviseren improviseerden
jullie improviseren improviseerden
zij improviseren improviseerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geïmproviseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïmproviseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïmproviseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïmproviseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïmproviseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïmproviseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïmproviseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïmproviseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïmproviseerd verleden tijd, deelwoord
geïmproviseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïmproviseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïmproviseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïmproviseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïmproviseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïmproviseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïmproviseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïmproviseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïmproviseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïmproviseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmproviseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïmproviseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmproviseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïmproviseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïmproviseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmproviseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmproviseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
improviseer gebiedende wijs
improviseerde verleden tijd
improvisere aanvoegende wijs
improviserend onvoltooid, deelwoord
te hebben geïmproviseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te improviseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen improviseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geïmproviseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïmproviseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïmproviseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal improviseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal improviseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal improviseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geïmproviseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïmproviseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïmproviseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou improviseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou improviseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou improviseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïmproviseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïmproviseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïmproviseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden improviseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden improviseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden improviseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïmproviseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt improviseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïmproviseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïmproviseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïmproviseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen improviseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen improviseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen improviseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen improviseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïmproviseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult improviseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voor het ogenblik bedenken’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Woordfamilie van improviseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
improviseer gebiedende wijs improviseren
improviseerde verleden tijd improviseren
improviseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon improviseren
improviseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon improviseren
improvisere aanvoegende wijs improviseren
improviserend onvoltooid deelwoord improviseren
improviserende woordvorm improviseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van improviseren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over improviseren

Wat is de betekenis van improviseren?
Improviseren is een werkwoord. De betekenis is: iets bedenken zonder vooropgesteld plan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik improviseren?
Zo vervoeg je improviseren zo: de tegenwoordige tijd is improviseer, de verleden tijd is improviseerde en het voltooid deelwoord is geïmproviseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord improviseren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. M 3
  3. P 3
  4. R 2
  5. O 1
  6. V 4
  7. I 1
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

improviseren levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. M 3
  3. P 4
  4. R 2
  5. O 1
  6. V 4
  7. I 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 zonder bonus
  14. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

improviseren in het kort

improviseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van improviseren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort improviseren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

improviseren: iets bedenken zonder vooropgesteld plan
Deel improviseren — standaardnederlands.nl