hum
zelfstandig naamwoord, werkwoord, tussenwerpsel hʏmBetekenis
- (verkorting van) humeur
Hoe spreek je hum uit?
/hʏm/
Hum bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ʏ | put |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — neuter
- humeur
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hummetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hummetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hummen
- gebiedende wijs van hummen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hummen
Vervoeging van hum
humhele werkwoord
tussenwerpsel
- tussenwerpsel dat een soort van twijfel/terughoudendheid uitdrukt, of aangeeft dat men het ergens niet mee eens is (vaak verkort tot hm)
Herkomst
In de betekenis van ‘goed humeur, schik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912
Woordfamilie van hum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hummetje | verkleinwoord | hum |
| hummetjes | verkleinwoord meervoud | hum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hum zijn vastgelegd.