houder
zelfstandig naamwoord ˈhɑudərBetekenis
- iemand die een bepaald stuk/recht in handen heeft.
- een object dat iets vasthoudt.
Hoe spreek je houder uit?
/ˈhɑudər/
Houder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die een bepaald stuk/recht in handen heeft
- iemand die dieren in bezit heeft
- object dat iets zo omvat dat het op zijn plaats blijft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| houders | meervoud |
| houdertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| houdertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van houden met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van houder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| houders | meervoud | houder |
| houdertje | verkleinwoord | houder |
| houdertjes | verkleinwoord meervoud | houder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van houder zijn vastgelegd.