hippen
werkwoordBetekenis
- zich met kleine sprongetjes voortbewegen
Vervoeging van hippen
hippenhele werkwoord — hipteverleden tijd enkelvoud — hiptenverleden tijd meervoud — gehiptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hip | hipte |
| jij | hipt | hipte |
| hij, zij, het | hipt | hipte |
| wij | hippen | hipten |
| jullie | hippen | hipten |
| zij | hippen | hipten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehipt | verleden tijd, deelwoord |
| gehipt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehipt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hip | gebiedende wijs |
| hippe | aanvoegende wijs |
| hippend | onvoltooid, deelwoord |
| hipte | verleden tijd |
| te hebben gehipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘springen’ voor het eerst aangetroffen in 1724
Woordfamilie van hippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehipt | voltooid deelwoord | hippen |
| gehipte | woordvorm | hippen |
| hippend | onvoltooid deelwoord | hippen |
| hippende | woordvorm | hippen |
| hipt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hippen |
| hipte | verleden tijd | hippen |
| hipten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hippen zijn vastgelegd.