hervallen
werkwoordBetekenis
- opnieuw ziek worden
werkwoord
- opnieuw in een slechte gewoonte vervallen ergative
Vervoeging van hervallen
hervallenhele werkwoord — hervielverleden tijd enkelvoud — hervielenverleden tijd meervoud — hervallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herval | herviel |
| jij | hervalt | herviel |
| hij, zij, het | hervalt | herviel |
| wij | hervallen | hervielen |
| jullie | hervallen | hervielen |
| zij | hervallen | hervielen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had hervallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had hervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had hervallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden hervallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden hervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden hervallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt hervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hervallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herval | gebiedende wijs |
| hervalle | aanvoegende wijs |
| hervallen | verleden tijd, deelwoord |
| hervallen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hervallen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hervallend | onvoltooid, deelwoord |
| herviel | verleden tijd |
| te hebben hervallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hervallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hervallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen hervallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van hervallen
Vervoeging van hervallen
hervallenhele werkwoord — hervielverleden tijd enkelvoud — hervielenverleden tijd meervoud — hervallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herval | herviel |
| jij | hervalt | herviel |
| hij, zij, het | hervalt | herviel |
| wij | hervallen | hervielen |
| jullie | hervallen | hervielen |
| zij | hervallen | hervielen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had hervallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had hervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had hervallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden hervallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden hervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden hervallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt hervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hervallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herval | gebiedende wijs |
| hervalle | aanvoegende wijs |
| hervallen | verleden tijd, deelwoord |
| hervallen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hervallen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hervallend | onvoltooid, deelwoord |
| herviel | verleden tijd |
| te hebben hervallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hervallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hervallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt hervallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen hervallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult hervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult hervallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van vallen met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van hervallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herval | gebiedende wijs | hervallen |
| hervalle | aanvoegende wijs | hervallen |
| hervallend | onvoltooid deelwoord | hervallen |
| hervallende | woordvorm | hervallen |
| hervalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hervallen |
| herviel | verleden tijd | hervallen |
| hervielen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hervallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hervallen zijn vastgelegd.