heien
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het in de grond drijven van een lange houten of betonnen paal als de fundering voor een gebouw of kunstwerk
- in de grond stampen, instampen, vaststampen.
Vervoeging van heien
heienhele werkwoord — heideverleden tijd enkelvoud — heidenverleden tijd meervoud — geheidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hei | heide |
| jij | heit | heide |
| hij, zij, het | heit | heide |
| wij | heien | heiden |
| jullie | heien | heiden |
| zij | heien | heiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geheid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geheid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geheid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geheid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geheid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geheid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geheid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geheid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geheid | verleden tijd, deelwoord |
| geheid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geheid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geheid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geheid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geheid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geheid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geheid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geheid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geheid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geheid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geheid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geheid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hei | gebiedende wijs |
| heide | verleden tijd |
| heie | aanvoegende wijs |
| heiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geheid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te heien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geheid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geheid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geheid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geheid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geheid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geheid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geheid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hei
Herkomst
In de betekenis van ‘in de grond stampen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van heien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heie | aanvoegende wijs | heien |
| heiend | onvoltooid deelwoord | heien |
| heiende | woordvorm | heien |
| heit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | heien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heien zijn vastgelegd.