harpoeneren
werkwoordBetekenis
- het vangen van vissen of walvissen door middel van een harpoen
Vervoeging van harpoeneren
harpoenerenhele werkwoord — harpoeneerdeverleden tijd enkelvoud — harpoeneerdenverleden tijd meervoud — geharpoeneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | harpoeneer | harpoeneerde |
| jij | harpoeneert | harpoeneerde |
| hij, zij, het | harpoeneert | harpoeneerde |
| wij | harpoeneren | harpoeneerden |
| jullie | harpoeneren | harpoeneerden |
| zij | harpoeneren | harpoeneerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geharpoeneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geharpoeneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geharpoeneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geharpoeneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geharpoeneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geharpoeneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geharpoeneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geharpoeneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geharpoeneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geharpoeneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geharpoeneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geharpoeneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geharpoeneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geharpoeneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geharpoeneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geharpoeneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geharpoeneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geharpoeneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geharpoeneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| harpoeneer | gebiedende wijs |
| harpoeneerde | verleden tijd |
| harpoenere | aanvoegende wijs |
| harpoenerend | onvoltooid, deelwoord |
| heb geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geharpoeneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te harpoeneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geharpoeneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen harpoeneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geharpoeneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geharpoeneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geharpoeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geharpoeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geharpoeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geharpoeneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geharpoeneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geharpoeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geharpoeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geharpoeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geharpoeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geharpoeneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geharpoeneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geharpoeneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geharpoeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geharpoeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geharpoeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geharpoeneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geharpoeneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geharpoeneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geharpoeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geharpoeneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geharpoeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geharpoeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geharpoeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geharpoeneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geharpoeneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geharpoeneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen harpoeneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geharpoeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geharpoeneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geharpoeneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult harpoeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van harpoen met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van harpoeneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geharpoeneerd | voltooid deelwoord | harpoeneren |
| geharpoeneerde | woordvorm | harpoeneren |
| harpoeneer | gebiedende wijs | harpoeneren |
| harpoeneerde | verleden tijd | harpoeneren |
| harpoeneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | harpoeneren |
| harpoeneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | harpoeneren |
| harpoenere | aanvoegende wijs | harpoeneren |
| harpoenerend | onvoltooid deelwoord | harpoeneren |
| harpoenerende | woordvorm | harpoeneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van harpoeneren zijn vastgelegd.