Naar de inhoud

harpoeneren

het vangen van vissen of walvissen door middel van een harpoen

harpoeneren

werkwoord

Betekenis

  1. het vangen van vissen of walvissen door middel van een harpoen

Vervoeging van harpoeneren

harpoenerenhele werkwoord — harpoeneerdeverleden tijd enkelvoud — harpoeneerdenverleden tijd meervoud — geharpoeneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik harpoeneer harpoeneerde
jij harpoeneert harpoeneerde
hij, zij, het harpoeneert harpoeneerde
wij harpoeneren harpoeneerden
jullie harpoeneren harpoeneerden
zij harpoeneren harpoeneerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geharpoeneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geharpoeneerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geharpoeneerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geharpoeneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geharpoeneerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geharpoeneerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geharpoeneerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geharpoeneerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geharpoeneerd verleden tijd, deelwoord
geharpoeneerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geharpoeneerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geharpoeneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geharpoeneerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geharpoeneerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geharpoeneerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geharpoeneerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geharpoeneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geharpoeneerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geharpoeneerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
harpoeneer gebiedende wijs
harpoeneerde verleden tijd
harpoenere aanvoegende wijs
harpoenerend onvoltooid, deelwoord
heb geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geharpoeneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te harpoeneren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geharpoeneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen harpoeneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geharpoeneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geharpoeneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geharpoeneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geharpoeneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geharpoeneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geharpoeneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geharpoeneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geharpoeneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geharpoeneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geharpoeneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geharpoeneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geharpoeneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geharpoeneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geharpoeneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geharpoeneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geharpoeneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geharpoeneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geharpoeneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geharpoeneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geharpoeneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geharpoeneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geharpoeneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geharpoeneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geharpoeneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geharpoeneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geharpoeneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geharpoeneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geharpoeneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen harpoeneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geharpoeneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geharpoeneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geharpoeneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult harpoeneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van harpoen met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van harpoeneren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geharpoeneerd voltooid deelwoord harpoeneren
geharpoeneerde woordvorm harpoeneren
harpoeneer gebiedende wijs harpoeneren
harpoeneerde verleden tijd harpoeneren
harpoeneerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon harpoeneren
harpoeneert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon harpoeneren
harpoenere aanvoegende wijs harpoeneren
harpoenerend onvoltooid deelwoord harpoeneren
harpoenerende woordvorm harpoeneren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van harpoeneren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over harpoeneren

Wat betekent harpoeneren?
Harpoeneren is een werkwoord. Het woord betekent: het vangen van vissen of walvissen door middel van een harpoen.
Hoe vervoeg je harpoeneren?
Je vervoegt harpoeneren als volgt: de tegenwoordige tijd is harpoeneer, de verleden tijd is harpoeneerde en het voltooid deelwoord is geharpoeneerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord harpoeneren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. R 2
  4. P 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

harpoeneren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. R 2
  4. P 4
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

harpoeneren in het kort

harpoeneren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van harpoeneren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort harpoeneren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

harpoeneren: het vangen van vissen of walvissen door middel van een harpoen
Deel harpoeneren — standaardnederlands.nl