Naar de inhoud

handballen

handbal spelen

handballen is meer dan één woord

handballen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. handbal spelen

Vervoeging van handballen

handballenhele werkwoord — handbaldeverleden tijd enkelvoud — handbaldenverleden tijd meervoud — gehandbaldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik handbal handbalde
jij handbalt handbalde
hij, zij, het handbalt handbalde
wij handballen handbalden
jullie handballen handbalden
zij handballen handbalden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gehandbald verleden tijd, deelwoord
gehandbald te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehandbald zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehandbald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehandbald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehandbald voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehandbald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehandbald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehandbald voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehandbald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
handbal gebiedende wijs
handbalde verleden tijd
handballe aanvoegende wijs
handballend onvoltooid, deelwoord
heb gehandbald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehandbald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehandbald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehandbald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehandbald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehandbald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehandbald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehandbald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te handballen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gehandbald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen handballen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gehandbald hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehandbald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehandbald hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal handballen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal handballen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal handballen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gehandbald hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehandbald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehandbald hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou handballen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou handballen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou handballen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehandbald hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehandbald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehandbald hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden handballen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden handballen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden handballen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehandbald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt handballen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehandbald hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehandbald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehandbald hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen handballen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen handballen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen handballen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen handballen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehandbald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult handballen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord handbal

Herkomst

samenstelling van hand en ballen ww

Woordfamilie van handballen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehandbald voltooid deelwoord handballen
handbalde verleden tijd handballen
handbalden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon handballen
handballe aanvoegende wijs handballen
handballend onvoltooid deelwoord handballen
handballende woordvorm handballen
handbalt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon handballen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handballen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over handballen

Wat betekent handballen?
Handballen is een werkwoord. Het woord betekent: handbal spelen.
Hoe vervoeg je handballen?
Je vervoegt handballen als volgt: de tegenwoordige tijd is handbal, de verleden tijd is handbalde en het voltooid deelwoord is gehandbald. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord handballen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. B 3
  6. A 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

handballen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. B 4
  6. A 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

handballen in het kort

handballen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van handballen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort handballen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

handballen: handbal spelen
Deel handballen — standaardnederlands.nl