handballen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- handbal spelen
Vervoeging van handballen
handballenhele werkwoord — handbaldeverleden tijd enkelvoud — handbaldenverleden tijd meervoud — gehandbaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | handbal | handbalde |
| jij | handbalt | handbalde |
| hij, zij, het | handbalt | handbalde |
| wij | handballen | handbalden |
| jullie | handballen | handbalden |
| zij | handballen | handbalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehandbald | verleden tijd, deelwoord |
| gehandbald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehandbald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehandbald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehandbald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehandbald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehandbald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehandbald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehandbald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehandbald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| handbal | gebiedende wijs |
| handbalde | verleden tijd |
| handballe | aanvoegende wijs |
| handballend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehandbald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehandbald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehandbald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehandbald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehandbald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehandbald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehandbald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehandbald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te handballen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehandbald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen handballen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehandbald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehandbald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehandbald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal handballen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal handballen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal handballen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehandbald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehandbald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehandbald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou handballen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou handballen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou handballen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehandbald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehandbald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehandbald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden handballen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden handballen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden handballen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehandbald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt handballen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehandbald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehandbald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehandbald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen handballen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen handballen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen handballen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen handballen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehandbald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult handballen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord handbal
Herkomst
samenstelling van hand en ballen ww
Woordfamilie van handballen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehandbald | voltooid deelwoord | handballen |
| handbalde | verleden tijd | handballen |
| handbalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | handballen |
| handballe | aanvoegende wijs | handballen |
| handballend | onvoltooid deelwoord | handballen |
| handballende | woordvorm | handballen |
| handbalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | handballen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handballen zijn vastgelegd.