hameren
werkwoordBetekenis
- met een hamer inslaan
- ~ op: zwaar de nadruk op iets leggen
Vervoeging van hameren
hamerenhele werkwoord — hamerdeverleden tijd enkelvoud — hamerdenverleden tijd meervoud — gehamerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hamer | hamerde |
| jij | hamert | hamerde |
| hij, zij, het | hamert | hamerde |
| wij | hameren | hamerden |
| jullie | hameren | hamerden |
| zij | hameren | hamerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gehamerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehamerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehamerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehamerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehamerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehamerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehamerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehamerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehamerd | verleden tijd, deelwoord |
| gehamerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehamerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehamerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehamerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehamerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehamerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehamerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehamerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehamerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehamerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehamerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehamerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehamerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehamerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehamerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehamerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehamerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hamer | gebiedende wijs |
| hamerde | verleden tijd |
| hamere | aanvoegende wijs |
| hamerend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehamerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hameren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehamerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hameren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gehamerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehamerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehamerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gehamerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gehamerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehamerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehamerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehamerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehamerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehamerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehamerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehamerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gehamerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehamerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehamerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehamerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehamerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehamerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehamerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehamerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehamerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehamerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehamerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehamerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehamerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehamerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehamerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehamerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hameren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehamerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afleiding van hamer met het achtervoegsel -en (1).
Woordfamilie van hameren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehamerd | voltooid deelwoord | hameren |
| gehamerde | woordvorm | hameren |
| hamerde | verleden tijd | hameren |
| hamerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hameren |
| hamere | aanvoegende wijs | hameren |
| hamerend | onvoltooid deelwoord | hameren |
| hamerende | woordvorm | hameren |
| hamert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hameren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hameren zijn vastgelegd.