hagel
zelfstandig naamwoord /haɣəɫ/Betekenis
- bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
- een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
- hagel, bolvormig ijs dat als neerslag uit de wolken valt
- een weertype waarbij het hagelt
- hagel, een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
Hoe spreek je hagel uit?
/haxəl/
Hagel bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hageltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hageltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘ijskorrels als neerslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van hagel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hageltje | verkleinwoord | hagel |
| hageltjes | verkleinwoord meervoud | hagel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hagel zijn vastgelegd.