hagelkorrel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- één kleine korrel van hagel, een bevroren regendruppel
- een van de vele kleine kogeltjes die tegelijkertijd met een hagelgeweer worden afgeschoten
- ontsteking aan de rand van het ooglid
zelfstandig naamwoord — masculine
- chalazion, een chronische, granulomateuze ontsteking van een kliertje in het ooglid, de klier van Meibom
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hagelkorrels | meervoud |
| hagelkorreltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hagelkorreltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hagel zn en korrel zn
Woordfamilie van hagelkorrel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hagelkorrels | meervoud | hagelkorrel |
| hagelkorreltje | verkleinwoord | hagelkorrel |
| hagelkorreltjes | verkleinwoord meervoud | hagelkorrel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hagelkorrel zijn vastgelegd.