hacken
werkwoordBetekenis
- inbreken in een informatiesysteem (om gegevens te roven of te wijzigen)
- op creatieve wijze meer doen met techniek dan de makers zelf hadden bedacht, het opzoeken van de grenzen van het mogelijke en het verkennen van de ethische en maatschappelijke consequenties van de ontdekte mogelijkheden
Vervoeging van hacken
hackenhele werkwoord — hackteverleden tijd enkelvoud — hacktenverleden tijd meervoud — gehacktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hack | hackte |
| jij | hackt | hackte |
| hij, zij, het | hackt | hackte |
| wij | hacken | hackten |
| jullie | hacken | hackten |
| zij | hacken | hackten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehackt | verleden tijd, deelwoord |
| gehackt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehackt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hack | gebiedende wijs |
| hacke | aanvoegende wijs |
| hackend | onvoltooid, deelwoord |
| hackte | verleden tijd |
| had gehackt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehackt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehackt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehackt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehackt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehackt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehackt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehackt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehackt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehackt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehackt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehackt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehackt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehackt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehackt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hacken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehackt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hacken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehackt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehackt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehackt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehackt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehackt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehackt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hacken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehackt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van het Engels
Woordfamilie van hacken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehackt | voltooid deelwoord | hacken |
| gehackte | woordvorm | hacken |
| hacke | aanvoegende wijs | hacken |
| hackend | onvoltooid deelwoord | hacken |
| hackende | woordvorm | hacken |
| hackt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hacken |
| hackte | verleden tijd | hacken |
| hackten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hacken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hacken zijn vastgelegd.