haag
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
- op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haagjes | verkleinwoord, meervoud |
| hagen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hagen
- gebiedende wijs van hagen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hagen
Vervoeging van haag
haaghele werkwoord
Herkomst
erfwoord Ontwikkeld uit Oudgermaans *hag-, vergelijk Middelnederlands haghe, Oudnederlands haghe "omheind gebied of jachtterrein", Oudhoogduits hag "omheining, omwalling, stad", Oudengels haga "haag, omheining, omheinde ruimte", Oudnoords hagi "omheinde weide", modern Duits (Zwitserland) Häge "haag, heg", Engels haw "bes van de hagedoorn"
Woordfamilie van haag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haagje | verkleinwoord | haag |
| haagjes | verkleinwoord meervoud | haag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haag zijn vastgelegd.