haagspel
zelfstandig naamwoord ˈhaxspɛlBetekenis
- in de 15e en 16e eeuw een toneelwedstrijd tussen rederijkerskamers
- rederijkersfeest
Hoe spreek je haagspel uit?
/ˈhaxspɛl/
Haagspel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| x | acht |
| s | sok |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- in de 15e en 16e eeuw een feestelijke bijeenkomst van rederijkerskamers met wedstrijden in toneel en dichtkunst historical
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haagspelen | meervoud |
| haagspelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haagspelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands hagespel, op te vatten als samenstelling van haag zn en spel zn
Woordfamilie van haagspel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haagspelen | meervoud | haagspel |
| haagspelletje | verkleinwoord | haagspel |
| haagspelletjes | verkleinwoord meervoud | haagspel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haagspel zijn vastgelegd.