gutsen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣʏtsə(n)Betekenis
- met een guts bewerken
- met grote golven naar buiten stromen
Hoe spreek je gutsen uit?
/ˈxʏtsən/
Gutsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ʏ | put |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gutsen
gutsenhele werkwoord — gutsteverleden tijd enkelvoud — gutstenverleden tijd meervoud — gegutstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | guts | gutste |
| jij | gutst | gutste |
| hij, zij, het | gutst | gutste |
| wij | gutsen | gutsten |
| jullie | gutsen | gutsten |
| zij | gutsen | gutsten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegutst | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gegutst | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gegutst | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gegutst | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gegutst worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gegutst zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gegutst worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gegutst zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegutst | verleden tijd, deelwoord |
| gegutst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegutst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegutst te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegutst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegutst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegutst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegutst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegutst zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegutst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegutst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| guts | gebiedende wijs |
| gutse | aanvoegende wijs |
| gutsend | onvoltooid, deelwoord |
| gutste | verleden tijd |
| hebben gegutst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gutsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gegutst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gutsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegutst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegutst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegutst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegutst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegutst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegutst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegutst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegutst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegutst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegutst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegutst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegutst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegutst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegutst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegutst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegutst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegutst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegutst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegutst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegutst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegutst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegutst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegutst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegutst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegutst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegutst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegutst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegutst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegutst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegutst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegutst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegutst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegutst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegutst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gutsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegutst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegutst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gutsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord guts
Herkomst
In de betekenis van ‘in stromen neervloeien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1659
Woordfamilie van gutsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegutst | voltooid deelwoord | gutsen |
| gegutste | woordvorm | gutsen |
| gutse | aanvoegende wijs | gutsen |
| gutsend | onvoltooid deelwoord | gutsen |
| gutsende | woordvorm | gutsen |
| gutst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gutsen |
| gutste | verleden tijd | gutsen |
| gutsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gutsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gutsen zijn vastgelegd.