guts
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- hoeveelheid vloeistof die ineens ergens uitstroomt
- lef, moed informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gutsen | meervoud |
| gutsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gutsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gutsen
- gebiedende wijs van gutsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gutsen
Vervoeging van guts
gutshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘beitel met holle bek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1600
Woordfamilie van guts
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gutsje | verkleinwoord | guts |
| gutsjes | verkleinwoord meervoud | guts |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van guts zijn vastgelegd.