Naar de inhoud

prutsen

een vak zonder voldoende kennis of vaardigheid uitoefenen, onhandig bezig zijn, knoeien, broddelen

prutsen is meer dan één woord

prutsen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈprʏtsə(n)

Betekenis

  1. een vak zonder voldoende kennis of vaardigheid uitoefenen, onhandig bezig zijn, knoeien, broddelen
  2. knutselen

Hoe spreek je prutsen uit?

/ˈprʏtsən/

Prutsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈprʏtsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
r rood
ʏ put
t tak
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van prutsen

prutsenhele werkwoord — prutsteverleden tijd enkelvoud — prutstenverleden tijd meervoud — geprutstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pruts prutste
jij prutst prutste
hij, zij, het prutst prutste
wij prutsen prutsten
jullie prutsen prutsten
zij prutsen prutsten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geprutst verleden tijd, deelwoord
geprutst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprutst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprutst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprutst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprutst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprutst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprutst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprutst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprutst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprutst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprutst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprutst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprutst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pruts gebiedende wijs
prutse aanvoegende wijs
prutsend onvoltooid, deelwoord
prutste verleden tijd
te hebben geprutst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te prutsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen prutsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geprutst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprutst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprutst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal prutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal prutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal prutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geprutst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprutst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprutst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou prutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou prutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou prutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprutst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprutst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprutst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden prutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden prutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden prutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprutst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt prutsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprutst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprutst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprutst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen prutsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen prutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen prutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen prutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprutst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult prutsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord pruts

Herkomst

In de betekenis van ‘knutselen’ voor het eerst aangetroffen in 1896

Woordfamilie van prutsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprutst voltooid deelwoord prutsen
prutse aanvoegende wijs prutsen
prutsend onvoltooid deelwoord prutsen
prutsende woordvorm prutsen
prutst aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon prutsen
prutste verleden tijd prutsen
prutsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon prutsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prutsen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over prutsen

Hoe spreek je prutsen uit?
De uitspraak van prutsen is: /ˈprʏtsə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent prutsen?
Prutsen is een werkwoord. Het woord betekent: een vak zonder voldoende kennis of vaardigheid uitoefenen, onhandig bezig zijn, knoeien, broddelen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je prutsen?
Je vervoegt prutsen als volgt: de tegenwoordige tijd is pruts, de verleden tijd is prutste en het voltooid deelwoord is geprutst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op prutsen?

Er staan 4 woorden in dit woordenboek die op prutsen rijmen, waaronder gutsen, kaboutermutsen en lutsen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op prutsen, uitspraak ˈprʏtsən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
gutsen 2
kaboutermutsen 5
lutsen 2
politiemutsen 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord prutsen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. U 4
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

prutsen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. U 2
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

prutsen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

prutsen in het kort

prutsen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van prutsen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort prutsen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

prutsen: een vak zonder voldoende kennis of vaardigheid uitoefenen, onhandig bezig zijn, knoeien, broddelen
Deel prutsen — standaardnederlands.nl