grommelen
werkwoord /ˈɣrɔmələ(n)/Betekenis
- steeds weer grommen, een knorrend, brommend of dof rollend geluid maken
- op grommende toon uitspreken
- stilletjes onvrede laten blijken
Hoe spreek je grommelen uit?
/ˈxrɔmələn/
Grommelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van grommelen
grommelenhele werkwoord — grommeldeverleden tijd enkelvoud — grommeldenverleden tijd meervoud — gegrommeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grommel | grommelde |
| jij | grommelt | grommelde |
| hij, zij, het | grommelt | grommelde |
| wij | grommelen | grommelden |
| jullie | grommelen | grommelden |
| zij | grommelen | grommelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegrommeld | verleden tijd, deelwoord |
| gegrommeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrommeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grommel | gebiedende wijs |
| grommelde | verleden tijd |
| grommele | aanvoegende wijs |
| grommelend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegrommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegrommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegrommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegrommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegrommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegrommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegrommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegrommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegrommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegrommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegrommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grommelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegrommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegrommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegrommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegrommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegrommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegrommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegrommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegrommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegrommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegrommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegrommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegrommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit grommen met het achtervoegsel -el; cognaat met Duits grummeln en Engels grumble
Woordfamilie van grommelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegrommeld | voltooid deelwoord | grommelen |
| gegrommelde | woordvorm | grommelen |
| grommel | gebiedende wijs | grommelen |
| grommelde | verleden tijd | grommelen |
| grommelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grommelen |
| grommele | aanvoegende wijs | grommelen |
| grommelend | onvoltooid deelwoord | grommelen |
| grommelende | woordvorm | grommelen |
| grommelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grommelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grommelen zijn vastgelegd.