grom
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- grommend geluid, meestal geen teken van tevredenheid
- ingewanden
- afval
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grommen | meervoud |
| grommetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grommetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grommen
- gebiedende wijs van grommen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grommen
Vervoeging van grom
gromhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ingewand van vis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1501
Woordfamilie van grom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grommetje | verkleinwoord | grom |
| grommetjes | verkleinwoord meervoud | grom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grom zijn vastgelegd.