rommelen
werkwoord ˈrɔmələ(n)Betekenis
- aanklooien, zonder plan of doel maar wat bezig zijn
- laag geluid maken
Hoe spreek je rommelen uit?
/ˈrɔmələn/
Rommelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- stiekem vrijen, elkaar liefkozen
- niet helemaal eerlijk handelen
- hoorbaar donderen op enige afstand impersonal
- heersen van ruzies of spanningen figuratively, impersonal
Vervoeging van rommelen
rommelenhele werkwoord — rommeldeverleden tijd enkelvoud — rommeldenverleden tijd meervoud — gerommeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rommel | rommelde |
| jij | rommelt | rommelde |
| hij, zij, het | rommelt | rommelde |
| wij | rommelen | rommelden |
| jullie | rommelen | rommelden |
| zij | rommelen | rommelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerommeld | verleden tijd, deelwoord |
| gerommeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerommeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rommel | gebiedende wijs |
| rommelde | verleden tijd |
| rommele | aanvoegende wijs |
| rommelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rommelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands rommelen, klanknabootsing, verwant aan rammelen en rumoer, in de betekenis van ‘een dof geluid maken’ aangetroffen vanaf 1351
Woordfamilie van rommelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rommelde | verleden tijd | rommelen |
| rommelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rommelen |
| rommele | aanvoegende wijs | rommelen |
| rommelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rommelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rommelen zijn vastgelegd.