Naar de inhoud

gipsen

met gips bestrijken, bestrooien of behandelen

gipsen is meer dan één woord

gipsen

werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. met gips bestrijken, bestrooien of behandelen
  2. van gips vervaardigd

Vervoeging van gipsen

gipsenhele werkwoord — gipsteverleden tijd enkelvoud — gipstenverleden tijd meervoud — gegipstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik gips gipste
jij gipst gipste
hij, zij, het gipst gipste
wij gipsen gipsten
jullie gipsen gipsten
zij gipsen gipsten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gegipst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gegipst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gegipst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gegipst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gegipst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gegipst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gegipst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gegipst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gegipst verleden tijd, deelwoord
gegipst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gegipst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gegipst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegipst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegipst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegipst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gegipst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gegipst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gegipst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gegipst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gips gebiedende wijs
gipse aanvoegende wijs
gipsend onvoltooid, deelwoord
gipste verleden tijd
had gegipst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gegipst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gegipst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gegipst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gegipst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gegipst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gegipst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gegipst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te gipsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gegipst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gipsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gegipst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gegipst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gegipst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gegipst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gegipst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gegipst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gegipst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gegipst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gegipst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gegipst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gegipst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gegipst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gegipst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gegipst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gegipst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gegipst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gegipst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gegipst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gegipst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gegipst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gegipst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegipst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gegipst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gegipst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegipst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gipsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gipsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gipsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gegipst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gegipst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegipst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegipst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegipst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegipst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegipst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gipsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gipsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gipsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gegipst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gegipst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gegipst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gegipst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gegipst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gegipst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gipsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gipsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gipsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gegipst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gegipst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gipsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gegipst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gegipst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gegipst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gegipst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gegipst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gegipst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gipsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gipsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gipsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gipsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gegipst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gegipst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gegipst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gipsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord gips

Herkomst

afgeleid van gips met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van gipsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gegipst voltooid deelwoord gipsen
gegipste woordvorm gipsen
gipse aanvoegende wijs gipsen
gipsend onvoltooid deelwoord gipsen
gipsende woordvorm gipsen
gipst aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gipsen
gipste verleden tijd gipsen
gipsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gipsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gipsen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over gipsen

Wat betekent gipsen?
Gipsen is een werkwoord. Het woord betekent: met gips bestrijken, bestrooien of behandelen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je gipsen?
Je vervoegt gipsen als volgt: de tegenwoordige tijd is gips, de verleden tijd is gipste en het voltooid deelwoord is gegipst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gipsen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. I 1
  3. P 3
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gipsen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. I 2
  3. P 4
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gipsen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

gipsen in het kort

gipsen is zowel werkwoord, bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord. Welke betekenis geldt, blijkt uit de zin waarin het staat. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van gipsen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort gipsen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

gipsen: met gips bestrijken, bestrooien of behandelen
Deel gipsen — standaardnederlands.nl