gips
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣɪpsBetekenis
- een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO4·2H2O
- (extensie) pleister, gipshoudend kalkmengsel gebruikt in verschillende toepassingen, onder meer in mallen en bij het vastzetten van gebroken ledematen
Hoe spreek je gips uit?
/xɪps/
Gips bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
- pleister, gipshoudend kalkmengsel gebruikt in verschillende toepassingen, onder meer in mallen en bij het vastzetten van gebroken ledematen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gipsen
- gebiedende wijs van gipsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gipsen
Vervoeging van gips
gipshele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands ghips, in de betekenis van ‘pleister’ aangetroffen vanaf 1477; via Frans gypse of direct Latijn gypsum van Oudgrieks γύψος (gúpsos) dat teruggaat op een Semitische taal