gereedkomen
werkwoordBetekenis
- voltooid worden
Vervoeging van gereedkomen
gereedkomenhele werkwoord — kwam gereedverleden tijd enkelvoud — kwamen gereedverleden tijd meervoud — gereedgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom gereed | kwam gereed |
| jij | komt gereed | kwaamt gereed |
| hij, zij, het | komt gereed | kwam gereed |
| wij | komen gereed | kwamen gereed |
| jullie | komen gereed | kwamen gereed |
| zij | komen gereed | kwamen gereed |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gereed te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereed te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereed zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereed zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| gereedgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| gereedgekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereedgekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereedkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gereedkomend | onvoltooid, deelwoord |
| gereedkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gereedkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| gereedkwam | bijzin, verleden tijd |
| gereedkwamen | bijzin, verleden tijd |
| is gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom gereed | gebiedende wijs |
| kwam gereed | verleden tijd |
| te zijn gereedgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gereedkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gereedgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gereedgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gereedgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gereedgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gereedgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gereedgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gereedgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gereedgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereedgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereedgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gereedkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn gereedgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gereedgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gereedgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereedgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereedgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gereedkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gereedkomen gereed zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gereedgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereedgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereedgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gereedkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gereedgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gereedkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gereedgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereedgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereedgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereedkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gereedkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult gereedgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereedkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gereedkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal gereedkomen gereed zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van gereed en komen
Woordfamilie van gereedkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereedgekomen | voltooid deelwoord | gereedkomen |
| gereedkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gereedkomen |
| gereedkome | with-subordinate-clause | gereedkomen |
| gereedkomend | onvoltooid deelwoord | gereedkomen |
| gereedkomende | woordvorm | gereedkomen |
| gereedkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gereedkomen |
| gereedkwam | subordinate-clause, verleden tijd | gereedkomen |
| gereedkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | gereedkomen |
| kom gereed | gebiedende wijs | gereedkomen |
| kome gereed | woordvorm | gereedkomen |
| komen gereed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gereedkomen |
| komt gereed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gereedkomen |
| kwam gereed | verleden tijd | gereedkomen |
| kwamen gereed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gereedkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gereedkomen zijn vastgelegd.