Naar de inhoud

gereedhouden

zorgen dat iets direct gebruikt kan worden

gereedhouden

werkwoord

Betekenis

  1. zorgen dat iets direct gebruikt kan worden

Vervoeging van gereedhouden

gereedhoudenhele werkwoord — hield gereedverleden tijd enkelvoud — hielden gereedverleden tijd meervoud — gereedgehoudenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hou gereed hield gereed
jij houdt gereed hield gereed
hij, zij, het houdt gereed hield gereed
wij houden gereed hielden gereed
jullie houden gereed hielden gereed
zij houden gereed hielden gereed
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gereedgehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gereedgehouden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gereedgehouden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gereedgehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gereedgehouden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gereedgehouden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gereedgehouden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gereedgehouden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gereed te houden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereed te zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereed zal houden bijzin, toekomende tijd
gereed zou houden bijzin, voorwaardelijk
gereed zouden houden bijzin, voorwaardelijk
gereed zoudt houden bijzin, voorwaardelijk
gereed zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereed zullen houden bijzin, toekomende tijd
gereed zult houden bijzin, toekomende tijd
gereedgehouden verleden tijd, deelwoord
gereedgehouden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereedgehouden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereedgehouden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereedgehouden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereedgehouden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereedgehouden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gereedgehouden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gereedgehouden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereedgehouden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereedgehouden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereedhield bijzin, verleden tijd
gereedhielden bijzin, verleden tijd
gereedhou bijzin, tegenwoordige tijd
gereedhoud bijzin, tegenwoordige tijd
gereedhoudend onvoltooid, deelwoord
gereedhoudt bijzin, tegenwoordige tijd
had gereedgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gereedgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gereedgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gereedgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gereedgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gereedgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gereedgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hield gereed verleden tijd
hou gereed gebiedende wijs
houd gereed gebiedende wijs
is gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gereedgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gereedhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gereedgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereedgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gereedgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereedgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gereedgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gereedgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gereedgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gereedgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gereedgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereedgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereedgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gereedgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereedgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gereedhouden bijzin, toekomende tijd
zijn gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gereedgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gereedgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereedgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereedgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereedgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereedgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereedgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gereedhouden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gereedhouden gereed zou(dt) houden bijzin, voorwaardelijk
zouden gereedgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereedgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereedgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereedgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereedgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereedgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gereedhouden bijzin, voorwaardelijk
zoudt gereedgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereedgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gereedhouden bijzin, voorwaardelijk
zullen gereedgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereedgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereedgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gereedgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereedgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereedgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereedgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereedhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gereedhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van gereed en houden

Woordfamilie van gereedhouden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gereedgehouden voltooid deelwoord gereedhouden
gereedhield subordinate-clause, verleden tijd gereedhouden
gereedhielden subordinate-clause, verleden tijd gereedhouden
gereedhou subordinate-clause, tegenwoordige tijd gereedhouden
gereedhoud subordinate-clause, tegenwoordige tijd gereedhouden
gereedhoude with-subordinate-clause gereedhouden
gereedhoudend onvoltooid deelwoord gereedhouden
gereedhoudende woordvorm gereedhouden
gereedhoudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd gereedhouden
hield gereed verleden tijd gereedhouden
hielden gereed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gereedhouden
hou gereed gebiedende wijs gereedhouden
houd gereed gebiedende wijs gereedhouden
houde gereed woordvorm gereedhouden
houden gereed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gereedhouden
houdt gereed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gereedhouden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gereedhouden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gereedhouden

Wat is de betekenis van gereedhouden?
Gereedhouden is een werkwoord. De betekenis is: zorgen dat iets direct gebruikt kan worden.
Hoe vervoeg ik gereedhouden?
Zo vervoeg je gereedhouden zo: het voltooid deelwoord is gereedgehouden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gereedhouden is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. D 2
  7. H 4
  8. O 1
  9. U 4
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gereedhouden levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. D 2
  7. H 4
  8. O 1
  9. U 2
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gereedhouden in het kort

gereedhouden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van gereedhouden staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort gereedhouden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

gereedhouden: zorgen dat iets direct gebruikt kan worden
Deel gereedhouden — standaardnederlands.nl