Naar de inhoud

gereedliggen

klaarliggen

gereedliggen

werkwoord

Betekenis

  1. klaarliggen

Vervoeging van gereedliggen

gereedliggenhele werkwoord — lag gereedverleden tijd enkelvoud — lagen gereedverleden tijd meervoud — gereedgelegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lig gereed lag gereed
jij ligt gereed laagt gereed
hij, zij, het ligt gereed lag gereed
wij liggen gereed lagen gereed
jullie liggen gereed lagen gereed
zij liggen gereed lagen gereed
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gereed te liggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereed te zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereed zal liggen bijzin, toekomende tijd
gereed zou liggen bijzin, voorwaardelijk
gereed zouden liggen bijzin, voorwaardelijk
gereed zoudt liggen bijzin, voorwaardelijk
gereed zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereed zullen liggen bijzin, toekomende tijd
gereed zult liggen bijzin, toekomende tijd
gereedgelegen verleden tijd, deelwoord
gereedgelegen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereedgelegen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereedlaagt bijzin, verleden tijd
gereedlag bijzin, verleden tijd
gereedlagen bijzin, verleden tijd
gereedlig bijzin, tegenwoordige tijd
gereedliggend onvoltooid, deelwoord
gereedligt bijzin, tegenwoordige tijd
had gereedgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gereedgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gereedgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gereedgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gereedgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gereedgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gereedgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gereedgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gereedgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gereedgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gereedgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lag gereed verleden tijd
lig gereed gebiedende wijs
te hebben gereedgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gereedliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gereedgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereedgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereedgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gereedliggen bijzin, toekomende tijd
zou gereedgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereedgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereedgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gereedliggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gereedliggen gereed zou(dt) liggen bijzin, voorwaardelijk
zouden gereedgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereedgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereedgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gereedliggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt gereedgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gereedliggen bijzin, voorwaardelijk
zullen gereedgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereedgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereedgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereedliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gereedliggen bijzin, toekomende tijd
zult gereedgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereedliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gereedliggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal gereedliggen gereed zult/zal liggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van gereed en liggen

Woordfamilie van gereedliggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gereedgelegen voltooid deelwoord gereedliggen
gereedlag subordinate-clause, verleden tijd gereedliggen
gereedlagen subordinate-clause, verleden tijd gereedliggen
gereedlig subordinate-clause, tegenwoordige tijd gereedliggen
gereedligge with-subordinate-clause gereedliggen
gereedliggend onvoltooid deelwoord gereedliggen
gereedliggende woordvorm gereedliggen
gereedligt subordinate-clause, tegenwoordige tijd gereedliggen
lag gereed verleden tijd gereedliggen
lagen gereed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gereedliggen
lig gereed gebiedende wijs gereedliggen
ligge gereed woordvorm gereedliggen
liggen gereed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gereedliggen
ligt gereed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gereedliggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gereedliggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gereedliggen

Wat betekent gereedliggen?
Gereedliggen is een werkwoord. Het woord betekent: klaarliggen.
Hoe vervoeg je gereedliggen?
Je vervoegt gereedliggen als volgt: het voltooid deelwoord is gereedgelegen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gereedliggen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. D 2
  7. L 3
  8. I 1
  9. G 3
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gereedliggen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. D 2
  7. L 3
  8. I 2
  9. G 3
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gereedliggen in het kort

gereedliggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van gereedliggen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort gereedliggen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

gereedliggen: klaarliggen
Deel gereedliggen — standaardnederlands.nl