gereedliggen
werkwoordBetekenis
- klaarliggen
Vervoeging van gereedliggen
gereedliggenhele werkwoord — lag gereedverleden tijd enkelvoud — lagen gereedverleden tijd meervoud — gereedgelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig gereed | lag gereed |
| jij | ligt gereed | laagt gereed |
| hij, zij, het | ligt gereed | lag gereed |
| wij | liggen gereed | lagen gereed |
| jullie | liggen gereed | lagen gereed |
| zij | liggen gereed | lagen gereed |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gereed te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereed te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereed zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zou liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zouden liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zoudt liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereed zullen liggen | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zult liggen | bijzin, toekomende tijd |
| gereedgelegen | verleden tijd, deelwoord |
| gereedgelegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereedgelegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereedlaagt | bijzin, verleden tijd |
| gereedlag | bijzin, verleden tijd |
| gereedlagen | bijzin, verleden tijd |
| gereedlig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gereedliggend | onvoltooid, deelwoord |
| gereedligt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| had gereedgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereedgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereedgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereedgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereedgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereedgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereedgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereedgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereedgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereedgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereedgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereedgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereedgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereedgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereedgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lag gereed | verleden tijd |
| lig gereed | gebiedende wijs |
| te hebben gereedgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gereedliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gereedgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereedgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereedgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gereedliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zou gereedgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereedgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereedgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gereedliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gereedliggen gereed zou(dt) liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gereedgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereedgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereedgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gereedliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gereedgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gereedliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gereedgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereedgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereedgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereedliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gereedliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult gereedgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereedliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gereedliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal gereedliggen gereed zult/zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van gereed en liggen
Woordfamilie van gereedliggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereedgelegen | voltooid deelwoord | gereedliggen |
| gereedlag | subordinate-clause, verleden tijd | gereedliggen |
| gereedlagen | subordinate-clause, verleden tijd | gereedliggen |
| gereedlig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gereedliggen |
| gereedligge | with-subordinate-clause | gereedliggen |
| gereedliggend | onvoltooid deelwoord | gereedliggen |
| gereedliggende | woordvorm | gereedliggen |
| gereedligt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gereedliggen |
| lag gereed | verleden tijd | gereedliggen |
| lagen gereed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gereedliggen |
| lig gereed | gebiedende wijs | gereedliggen |
| ligge gereed | woordvorm | gereedliggen |
| liggen gereed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gereedliggen |
| ligt gereed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gereedliggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gereedliggen zijn vastgelegd.