gaffelen
werkwoordBetekenis
- smullen
Vervoeging van gaffelen
gaffelenhele werkwoord — gaffeldeverleden tijd enkelvoud — gaffeldenverleden tijd meervoud — gegaffeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gaffel | gaffelde |
| jij | gaffelt | gaffelde |
| hij, zij, het | gaffelt | gaffelde |
| wij | gaffelen | gaffelden |
| jullie | gaffelen | gaffelden |
| zij | gaffelen | gaffelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gaffel | gebiedende wijs |
| gaffelde | verleden tijd |
| gaffele | aanvoegende wijs |
| gaffelend | onvoltooid, deelwoord |
| gegaffeld | verleden tijd, deelwoord |
| gegaffeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegaffeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gegaffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegaffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegaffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegaffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegaffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegaffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegaffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegaffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegaffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegaffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegaffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegaffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegaffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegaffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegaffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gaffelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegaffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gaffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gegaffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegaffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegaffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegaffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegaffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegaffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gegaffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegaffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegaffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gegaffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen gaffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gegaffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegaffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegaffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult gaffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gegaffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van gaffel (mond) met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van gaffelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaffelde | verleden tijd | gaffelen |
| gaffelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gaffelen |
| gaffele | aanvoegende wijs | gaffelen |
| gaffelend | onvoltooid deelwoord | gaffelen |
| gaffelende | woordvorm | gaffelen |
| gaffelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gaffelen |
| gegaffeld | voltooid deelwoord | gaffelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gaffelen zijn vastgelegd.