fluctueren
werkwoordBetekenis
- onregelmatig variëren (binnen bepaalde grenzen), schommelen
Vervoeging van fluctueren
fluctuerenhele werkwoord — fluctueerdeverleden tijd enkelvoud — fluctueerdenverleden tijd meervoud — gefluctueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fluctueer | fluctueerde |
| jij | fluctueert | fluctueerde |
| hij, zij, het | fluctueert | fluctueerde |
| wij | fluctueren | fluctueerden |
| jullie | fluctueren | fluctueerden |
| zij | fluctueren | fluctueerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefluctueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefluctueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefluctueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefluctueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefluctueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefluctueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefluctueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefluctueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fluctueer | gebiedende wijs |
| fluctueerde | verleden tijd |
| fluctuere | aanvoegende wijs |
| fluctuerend | onvoltooid, deelwoord |
| gefluctueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefluctueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefluctueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefluctueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefluctueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefluctueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefluctueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefluctueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefluctueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefluctueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefluctueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefluctueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefluctueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefluctueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefluctueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefluctueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefluctueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefluctueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fluctueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefluctueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fluctueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefluctueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefluctueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefluctueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefluctueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefluctueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefluctueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefluctueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefluctueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefluctueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefluctueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fluctueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefluctueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefluctueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefluctueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fluctueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefluctueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse fluctuer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van fluctueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fluctueer | gebiedende wijs | fluctueren |
| fluctueerde | verleden tijd | fluctueren |
| fluctueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fluctueren |
| fluctueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fluctueren |
| fluctuere | aanvoegende wijs | fluctueren |
| fluctuerend | onvoltooid deelwoord | fluctueren |
| fluctuerende | woordvorm | fluctueren |
| gefluctueerd | voltooid deelwoord | fluctueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluctueren zijn vastgelegd.