fietsketting
zelfstandig naamwoordBetekenis
- onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets voor de energieoverdracht van de trapas naar het achterwiel via een systeem van ketting en tandwielen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietskettingen | meervoud |
| fietskettinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietskettinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets en ketting
Woordfamilie van fietsketting
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietskettingen | meervoud | fietsketting |
| fietskettinkje | verkleinwoord | fietsketting |
| fietskettinkjes | verkleinwoord meervoud | fietsketting |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietsketting zijn vastgelegd.