felsen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (metalen platen) omvouwen en vastslaan
werkwoord
- omvouwen en vastslaan transitive
Vervoeging van felsen
felsenhele werkwoord — felsteverleden tijd enkelvoud — felstenverleden tijd meervoud — gefelstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fels | felste |
| jij | felst | felste |
| hij, zij, het | felst | felste |
| wij | felsen | felsten |
| jullie | felsen | felsten |
| zij | felsen | felsten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefelst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefelst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefelst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefelst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefelst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefelst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefelst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefelst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fels | gebiedende wijs |
| felse | aanvoegende wijs |
| felsend | onvoltooid, deelwoord |
| felste | verleden tijd |
| gefelst | verleden tijd, deelwoord |
| gefelst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefelst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefelst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefelst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefelst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefelst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefelst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefelst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefelst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefelst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefelst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefelst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefelst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefelst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefelst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefelst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefelst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te felsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefelst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen felsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal felsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal felsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal felsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefelst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefelst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefelst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou felsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou felsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou felsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefelst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefelst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefelst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden felsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden felsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden felsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefelst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefelst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefelst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt felsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefelst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen felsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen felsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen felsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen felsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefelst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefelst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefelst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult felsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefelst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord fels
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘metalen platen omvouwen en vastslaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1860
Woordfamilie van felsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| felse | aanvoegende wijs | felsen |
| felsend | onvoltooid deelwoord | felsen |
| felsende | woordvorm | felsen |
| felsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | felsen |
| gefelst | voltooid deelwoord | felsen |
| gefelste | woordvorm | felsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van felsen zijn vastgelegd.