fax
zelfstandig naamwoord, werkwoord /fɑks/Betekenis
- een apparaat waarmee documenten per telefoon verzonden kunnen worden, faxtoestel
- een per fax verzonden bericht, faxbericht
- fakkel
- vuurbal
- manen
- fax
Hoe spreek je fax uit?
/fɑks/
Fax bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| faxen | meervoud |
| faxje | verkleinwoord, enkelvoud |
| faxjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van faxen
- gebiedende wijs van faxen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van faxen
Vervoeging van fax
faxhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘systeem van telecommunicatie’ voor het eerst aangetroffen in 1982
Woordfamilie van fax
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| faxje | verkleinwoord | fax |
| faxjes | verkleinwoord meervoud | fax |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fax zijn vastgelegd.