ezel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈezəɫ/Betekenis
- paardachtig dier met lange oren dat zeer eigenwijs is
- domkop
- steunmeubel, schildersezel
- voorste hanger van een windmolen waaraan de vangbalk vooraan met een scharnierpunt vastzit
- paardachtig dier met lange oren
Hoe spreek je ezel uit?
/ˈezəl/
Ezel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus, met lange oren dat zeer eigenwijs is
- domkop, sukkel pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ezels | meervoud |
| ezeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ezeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ezelen
- gebiedende wijs van ezelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ezelen
Vervoeging van ezel
ezelhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands esel ontleend van Latijn asinus, in de betekenis van ‘paardachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van ezel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ezels | meervoud | ezel |
| ezeltje | verkleinwoord | ezel |
| ezeltjes | verkleinwoord meervoud | ezel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ezel zijn vastgelegd.