Naar de inhoud

executeren

uitvoeren van een vonnis, tenuitvoerbrengen, voltrekken

executeren

werkwoord

Betekenis

  1. uitvoeren van een vonnis, tenuitvoerbrengen, voltrekken
  2. een doodvonnis ten uitvoer brengen, terechtstellen
  3. inbeslagnemien en verkopen van iemands bezittingen wegens schuld, gerechtelijk verkopen
  4. zich ~: zich insolvent verklaren

Vervoeging van executeren

executerenhele werkwoord — executeerdeverleden tijd enkelvoud — executeerdenverleden tijd meervoud — geëxecuteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik executeer executeerde
jij executeert executeerde
hij, zij, het executeert executeerde
wij executeren executeerden
jullie executeren executeerden
zij executeren executeerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geëxecuteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geëxecuteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geëxecuteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geëxecuteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geëxecuteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geëxecuteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geëxecuteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geëxecuteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
executeer gebiedende wijs
executeer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
executeer u/je , executeert je gebiedende wijs
executeerde verleden tijd
executeerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
executeerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
executeerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
executeerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
executeerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
executeerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
executeerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
executeerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
executeerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
executeerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
executeert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
executeert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
executeert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
executeert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
executeert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
executeert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
executere aanvoegende wijs
executere zich aanvoegende wijs
executeren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
executeren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
executeren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
executerend onvoltooid, deelwoord
geëxecuteerd verleden tijd, deelwoord
geëxecuteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëxecuteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëxecuteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxecuteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxecuteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxecuteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëxecuteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëxecuteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëxecuteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëxecuteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëxecuteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te executeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geëxecuteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen executeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geëxecuteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geëxecuteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal executeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal executeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal executeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëxecuteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxecuteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëxecuteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geëxecuteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxecuteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me executeren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich executeren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je executeren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich executerend onvoltooid, deelwoord
zich geëxecuteerd hebben verleden tijd
zijn geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geëxecuteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou executeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou executeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou executeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëxecuteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxecuteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxecuteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxecuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxecuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxecuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden executeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden executeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden executeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëxecuteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëxecuteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëxecuteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëxecuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëxecuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëxecuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt executeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëxecuteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëxecuteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëxecuteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen executeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen executeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen executeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen executeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(vonnis) voltrekken’ voor het eerst aangetroffen in 1454

Woordfamilie van executeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
executeer gebiedende wijs executeren
executeerde verleden tijd executeren
executeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon executeren
executeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon executeren
executere aanvoegende wijs executeren
executerend onvoltooid deelwoord executeren
executerende woordvorm executeren
geëxecuteerd voltooid deelwoord executeren
geëxecuteerde woordvorm executeren
geëxecuteerden meervoud geëxecuteerde

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van executeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over executeren

Wat is de betekenis van executeren?
Executeren is een werkwoord. De betekenis is: uitvoeren van een vonnis, tenuitvoerbrengen, voltrekken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik executeren?
Zo vervoeg je executeren zo: de tegenwoordige tijd is executeer, de verleden tijd is executeerde en het voltooid deelwoord is geëxecuteerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord executeren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. X 8
  3. E 1
  4. C 5
  5. U 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

executeren levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 120 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. X 8
  3. E 1
  4. C 5
  5. U 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 120 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (X) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

executeren in het kort

executeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van executeren staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort executeren bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

executeren: uitvoeren van een vonnis, tenuitvoerbrengen, voltrekken
Deel executeren — standaardnederlands.nl