examineren
werkwoordBetekenis
- aan een examen onderwerpen
Vervoeging van examineren
examinerenhele werkwoord — examineerdeverleden tijd enkelvoud — examineerdenverleden tijd meervoud — geëxamineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | examineer | examineerde |
| jij | examineert | examineerde |
| hij, zij, het | examineert | examineerde |
| wij | examineren | examineerden |
| jullie | examineren | examineerden |
| zij | examineren | examineerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geëxamineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëxamineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëxamineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëxamineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëxamineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëxamineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëxamineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëxamineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| examineer | gebiedende wijs |
| examineerde | verleden tijd |
| examinere | aanvoegende wijs |
| examinerend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxamineerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxamineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxamineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxamineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxamineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxamineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxamineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxamineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxamineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxamineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxamineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxamineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxamineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxamineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxamineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxamineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxamineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxamineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te examineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxamineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen examineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal examineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal examineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal examineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxamineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxamineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxamineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou examineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou examineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou examineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxamineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxamineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxamineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden examineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden examineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden examineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxamineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxamineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxamineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt examineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxamineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen examineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen examineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen examineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen examineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxamineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxamineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxamineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult examineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxamineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van het Franse examiner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van examineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| examineer | gebiedende wijs | examineren |
| examineerde | verleden tijd | examineren |
| examineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | examineren |
| examineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | examineren |
| examinere | aanvoegende wijs | examineren |
| examinerend | onvoltooid deelwoord | examineren |
| examinerende | woordvorm | examineren |
| geëxamineerd | voltooid deelwoord | examineren |
| geëxamineerde | woordvorm | examineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van examineren zijn vastgelegd.