emballeren
werkwoordBetekenis
- inpakken op grote schaal
Vervoeging van emballeren
emballerenhele werkwoord — emballeerdeverleden tijd enkelvoud — emballeerdenverleden tijd meervoud — geëmballeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | emballeer | emballeerde |
| jij | emballeert | emballeerde |
| hij, zij, het | emballeert | emballeerde |
| wij | emballeren | emballeerden |
| jullie | emballeren | emballeerden |
| zij | emballeren | emballeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| emballeer | gebiedende wijs |
| emballeerde | verleden tijd |
| emballere | aanvoegende wijs |
| emballerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëmballeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëmballeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëmballeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëmballeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëmballeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëmballeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëmballeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëmballeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëmballeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëmballeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëmballeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëmballeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëmballeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëmballeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëmballeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëmballeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëmballeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëmballeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëmballeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmballeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te emballeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëmballeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen emballeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëmballeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëmballeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëmballeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëmballeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëmballeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëmballeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëmballeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëmballeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëmballeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëmballeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëmballeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëmballeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëmballeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëmballeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëmballeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëmballeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëmballeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëmballeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëmballeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëmballeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëmballeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëmballeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen emballeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëmballeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëmballeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëmballeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëmballeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëmballeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëmballeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult emballeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëmballeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëmballeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëmballeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse emballer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van emballeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| emballeer | gebiedende wijs | emballeren |
| emballeerde | verleden tijd | emballeren |
| emballeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | emballeren |
| emballeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | emballeren |
| emballere | aanvoegende wijs | emballeren |
| emballerend | onvoltooid deelwoord | emballeren |
| emballerende | woordvorm | emballeren |
| geëmballeerd | voltooid deelwoord | emballeren |
| geëmballeerde | woordvorm | emballeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emballeren zijn vastgelegd.