| - |
impersonal, passief
|
| ben geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| emitteer |
gebiedende wijs
|
| emitteerde |
verleden tijd
|
| emittere |
aanvoegende wijs
|
| emitterend |
onvoltooid, deelwoord
|
| er is geëmitteerd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was geëmitteerd |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd geëmitteerd |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt geëmitteerd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal geëmitteerd worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal geëmitteerd zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou geëmitteerd worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou geëmitteerd zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| geëmitteerd |
verleden tijd, deelwoord
|
| geëmitteerd te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| geëmitteerd te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| geëmitteerd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geëmitteerd te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geëmitteerd te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geëmitteerd worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| geëmitteerd zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| geëmitteerd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| geëmitteerd zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| geëmitteerd zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geëmitteerd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| te emitteren |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te hebben geëmitteerd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen emitteren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was geëmitteerd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt geëmitteerd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zal geëmitteerd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geëmitteerd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geëmitteerd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal geëmitteerd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geëmitteerd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zijn geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt geëmitteerd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zou geëmitteerd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geëmitteerd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geëmitteerd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geëmitteerd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geëmitteerd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geëmitteerd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zouden geëmitteerd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geëmitteerd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geëmitteerd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden geëmitteerd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geëmitteerd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geëmitteerd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zoudt emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zoudt geëmitteerd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt geëmitteerd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zullen emitteren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zullen geëmitteerd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geëmitteerd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geëmitteerd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen geëmitteerd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geëmitteerd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geëmitteerd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zult emitteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zult geëmitteerd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult geëmitteerd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult geëmitteerd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|