duimen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈdɶy.mə(n)/Betekenis
- voortdurend herhaald handgebaar bedoeld om geluk te brengen (zie w:Duimen_(steun)|Duimen op Wikipedia)
- hopen
- duimendraaien
- nietsdoen
- handgebaar van een lifter om automobilisten te laten weten dat hij wil meerijden
- duimzuigen
- Bargoens: vals spelen
- met de duim bewerken
Hoe spreek je duimen uit?
/ˈdɶymən/
Duimen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| y | fuut |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- voortdurend herhaald handgebaar bedoeld om geluk te brengen (zie Duimen op Wikipedia)
- : vals spelen
Vervoeging van duimen
duimenhele werkwoord — duimdeverleden tijd enkelvoud — duimdenverleden tijd meervoud — geduimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | duim | duimde |
| jij | duimt | duimde |
| hij, zij, het | duimt | duimde |
| wij | duimen | duimden |
| jullie | duimen | duimden |
| zij | duimen | duimden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| duim | gebiedende wijs |
| duimde | verleden tijd |
| duime | aanvoegende wijs |
| duimend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geduimd | verleden tijd, deelwoord |
| geduimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geduimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geduimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geduimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geduimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geduimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geduimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geduimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geduimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geduimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geduimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geduimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geduimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te duimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geduimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen duimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal duimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal duimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal duimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geduimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geduimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geduimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou duimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou duimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou duimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geduimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geduimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geduimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden duimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden duimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden duimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geduimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geduimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geduimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt duimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geduimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen duimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen duimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen duimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen duimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geduimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geduimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geduimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult duimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geduimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord duim
Herkomst
ww afgeleid van duim zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van duimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duimde | verleden tijd | duimen |
| duimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | duimen |
| duime | aanvoegende wijs | duimen |
| duimend | onvoltooid deelwoord | duimen |
| duimende | woordvorm | duimen |
| duimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | duimen |
| geduimd | voltooid deelwoord | duimen |
| geduimde | woordvorm | duimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duimen zijn vastgelegd.