doorweken
werkwoordBetekenis
- weken tot alles door en door nat is
Vervoeging van doorweken
doorwekenhele werkwoord — doorweekteverleden tijd enkelvoud — doorweektenverleden tijd meervoud — doorweektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doorweek | doorweekte |
| jij | doorweekt | doorweekte |
| hij, zij, het | doorweekt | doorweekte |
| wij | doorweken | doorweekten |
| jullie | doorweken | doorweekten |
| zij | doorweken | doorweekten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doorweek | gebiedende wijs |
| doorweekt | verleden tijd, deelwoord |
| doorweekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorweekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorweekte | verleden tijd |
| doorweke | aanvoegende wijs |
| doorwekend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorweken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal doorweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden doorweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt doorweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen doorweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult doorweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doorweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van door bw en weken ww
Woordfamilie van doorweken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorweek | gebiedende wijs | doorweken |
| doorweekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorweken |
| doorweke | aanvoegende wijs | doorweken |
| doorwekend | onvoltooid deelwoord | doorweken |
| doorwekende | woordvorm | doorweken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorweken zijn vastgelegd.