doorschemeren
werkwoordBetekenis
- vaag zichtbaar zijn
- samen met werkwoord laten: iets suggereren
Vervoeging van doorschemeren
doorschemerenhele werkwoord — schemerde doorverleden tijd enkelvoud — schemerden doorverleden tijd meervoud — doorgeschemerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schemer door | schemerde door |
| jij | schemert door | schemerde door |
| hij, zij, het | schemert door | schemerde door |
| wij | schemeren door | schemerden door |
| jullie | schemeren door | schemerden door |
| zij | schemeren door | schemerden door |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| door te schemeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen schemeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal schemeren | bijzin, toekomende tijd |
| door zou schemeren | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden schemeren | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt schemeren | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen schemeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen schemeren | bijzin, toekomende tijd |
| door zult schemeren | bijzin, toekomende tijd |
| doorgeschemerd | verleden tijd, deelwoord |
| doorgeschemerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgeschemerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorschemer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorschemerde | bijzin, verleden tijd |
| doorschemerden | bijzin, verleden tijd |
| doorschemerend | onvoltooid, deelwoord |
| doorschemert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgeschemerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgeschemerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgeschemerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgeschemerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgeschemerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgeschemerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgeschemerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgeschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgeschemerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgeschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgeschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgeschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgeschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgeschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgeschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schemer door | gebiedende wijs |
| schemerde door | verleden tijd |
| te hebben doorgeschemerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorschemeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal doorgeschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgeschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgeschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorschemeren | bijzin, toekomende tijd |
| zou doorgeschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgeschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgeschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorschemeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorschemeren door zou(dt) schemeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgeschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgeschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgeschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorschemeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgeschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorschemeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgeschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgeschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgeschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorschemeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorschemeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgeschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doorschemeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doorschemeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doorschemeren door zult/zal schemeren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en schemeren
Woordfamilie van doorschemeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgeschemerd | voltooid deelwoord | doorschemeren |
| doorgeschemerde | woordvorm | doorschemeren |
| doorschemer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorschemeren |
| doorschemerde | subordinate-clause, verleden tijd | doorschemeren |
| doorschemerden | subordinate-clause, verleden tijd | doorschemeren |
| doorschemere | with-subordinate-clause | doorschemeren |
| doorschemerend | onvoltooid deelwoord | doorschemeren |
| doorschemerende | woordvorm | doorschemeren |
| doorschemert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorschemeren |
| schemer door | gebiedende wijs | doorschemeren |
| schemerde door | verleden tijd | doorschemeren |
| schemerden door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorschemeren |
| schemere door | woordvorm | doorschemeren |
| schemeren door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorschemeren |
| schemert door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorschemeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorschemeren zijn vastgelegd.