Naar de inhoud

doorgaan

~ met: niet stoppen, blijven

doorgaan

werkwoord ˈdorɣan

Betekenis

  1. ~ met: niet stoppen, blijven
  2. door winst te behalen verder kunnen gaan.
  3. plaatsvinden ondanks voorafgaande twijfel
  4. (België) plaatsvinden
  5. doorstaan, zien vol te houden.

Hoe spreek je doorgaan uit?

/ˈdorxan/

Doorgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈdorxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
o boot
r rood
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. plaatsvinden
  2. wat de zogenaamd iets zou moeten zijn maar het eigenlijk niet is; lijken op

Vervoeging van doorgaan

doorgaanhele werkwoord — doorgingverleden tijd enkelvoud — doorgingenverleden tijd meervoud — doorgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doorga doorging
jij doorgaat doorging
hij, zij, het doorgaat doorging
wij gaan door doorgingen
jullie gaan door doorgingen
zij gaan door doorgingen
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
door te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal gaan bijzin, toekomende tijd
door zou gaan bijzin, voorwaardelijk
door zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
door zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
door zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen gaan bijzin, toekomende tijd
door zult gaan bijzin, toekomende tijd
doorga gebiedende wijs
doorga aanvoegende wijs
doorga bijzin, tegenwoordige tijd
doorgaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorgaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorgaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorgaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorgaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorgaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorgaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorgaand onvoltooid, deelwoord
doorgaat bijzin, tegenwoordige tijd
doorgegaan verleden tijd, deelwoord
doorgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorging bijzin, verleden tijd
doorgingen bijzin, verleden tijd
dóórgaan canonical
er is doorgaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was doorgaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd doorgaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt doorgaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal doorgaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal doorgaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou doorgaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou doorgaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
ga door gebiedende wijs
ging door verleden tijd
had doorgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had doorgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden doorgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden doorgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt doorgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te doorgaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben doorgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn doorgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart doorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren doorgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd doorgaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden doorgaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden doorgaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt doorgaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorgaan bijzin, toekomende tijd
zal doorgaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorgaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal doorgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn doorgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorgaan bijzin, voorwaardelijk
zou doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorgaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou doorgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) doorgaan door zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorgaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen doorgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Woordvorm

  • tot het einde meemaken
  • voltooid deelwoord van doorgaan

Vervoeging van doorgaan

doorgaanhele werkwoord — doorgingverleden tijd enkelvoud — doorgingenverleden tijd meervoud — doorgaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doorga doorging
jij doorgaat doorging
hij, zij, het doorgaat doorging
wij gaan door doorgingen
jullie gaan door doorgingen
zij gaan door doorgingen
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
door te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal gaan bijzin, toekomende tijd
door zou gaan bijzin, voorwaardelijk
door zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
door zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
door zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen gaan bijzin, toekomende tijd
door zult gaan bijzin, toekomende tijd
doorga gebiedende wijs
doorga aanvoegende wijs
doorga bijzin, tegenwoordige tijd
doorgaan verleden tijd, deelwoord
doorgaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorgaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorgaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorgaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorgaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorgaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorgaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorgaand onvoltooid, deelwoord
doorgaat bijzin, tegenwoordige tijd
doorgegaan verleden tijd, deelwoord
doorgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorging verleden tijd
doorging bijzin, verleden tijd
doorgingen bijzin, verleden tijd
doorgáán canonical
er is doorgaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was doorgaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd doorgaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt doorgaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal doorgaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal doorgaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou doorgaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou doorgaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
ga door gebiedende wijs
had doorgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had doorgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden doorgaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden doorgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt doorgaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te doorgaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben doorgaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn doorgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart doorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren doorgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd doorgaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden doorgaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden doorgaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt doorgaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorgaan bijzin, toekomende tijd
zal doorgaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorgaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal doorgaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn doorgaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn doorgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorgaan bijzin, voorwaardelijk
zou doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorgaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou doorgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) doorgaan door zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorgaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorgaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt doorgaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt doorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen doorgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen doorgaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon

Herkomst

dóórgaan, doorgáán [1]: samenstelling van door bw en gaan ww

Woordfamilie van doorgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
doorga subordinate-clause, tegenwoordige tijd doorgaan
doorgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd doorgaan
doorgane woordvorm doorgaan
doorgegaan voltooid deelwoord doorgaan
doorgegane woordvorm doorgaan
doorging subordinate-clause, verleden tijd doorgaan
doorgingen subordinate-clause, verleden tijd doorgaan
ga door gebiedende wijs doorgaan
gaan door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon doorgaan
gaat door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon doorgaan
ging door verleden tijd doorgaan
gingen door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon doorgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorgaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over doorgaan

Hoe spreek ik doorgaan uit?
Zo spreek je doorgaan uit: /ˈdorɣan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van doorgaan?
Doorgaan is een werkwoord. De betekenis is: ~ met: niet stoppen, blijven. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik doorgaan?
Zo vervoeg je doorgaan zo: de tegenwoordige tijd is doorga, de verleden tijd is doorging en het voltooid deelwoord is doorgegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op doorgaan?

In dit woordenboek rijmen 2 woorden op -oorgaan op doorgaan, zoals teloorgaan en voorgaan. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op doorgaan, uitspraak ˈdorxan, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
teloorgaan 3
voorgaan 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord doorgaan is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. G 3
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

doorgaan levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. G 3
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

doorgaan in het kort

doorgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van doorgaan staan er 98 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort doorgaan bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

doorgaan: ~ met: niet stoppen, blijven
Deel doorgaan — standaardnederlands.nl