doorgaan
werkwoord ˈdorɣanBetekenis
- ~ met: niet stoppen, blijven
- door winst te behalen verder kunnen gaan.
- plaatsvinden ondanks voorafgaande twijfel
- (België) plaatsvinden
- doorstaan, zien vol te houden.
Hoe spreek je doorgaan uit?
/ˈdorxan/
Doorgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| r | rood |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- plaatsvinden
- wat de zogenaamd iets zou moeten zijn maar het eigenlijk niet is; lijken op
Vervoeging van doorgaan
doorgaanhele werkwoord — doorgingverleden tijd enkelvoud — doorgingenverleden tijd meervoud — doorgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doorga | doorging |
| jij | doorgaat | doorging |
| hij, zij, het | doorgaat | doorging |
| wij | gaan door | doorgingen |
| jullie | gaan door | doorgingen |
| zij | gaan door | doorgingen |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| door zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| door zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| doorga | gebiedende wijs |
| doorga | aanvoegende wijs |
| doorga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorgaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgaand | onvoltooid, deelwoord |
| doorgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| doorgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorging | bijzin, verleden tijd |
| doorgingen | bijzin, verleden tijd |
| dóórgaan | canonical |
| er is doorgaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga door | gebiedende wijs |
| ging door | verleden tijd |
| had doorgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorgaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) doorgaan door zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Woordvorm
- tot het einde meemaken
- voltooid deelwoord van doorgaan
Vervoeging van doorgaan
doorgaanhele werkwoord — doorgingverleden tijd enkelvoud — doorgingenverleden tijd meervoud — doorgaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doorga | doorging |
| jij | doorgaat | doorging |
| hij, zij, het | doorgaat | doorging |
| wij | gaan door | doorgingen |
| jullie | gaan door | doorgingen |
| zij | gaan door | doorgingen |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| door zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| door zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| doorga | gebiedende wijs |
| doorga | aanvoegende wijs |
| doorga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorgaan | verleden tijd, deelwoord |
| doorgaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgaand | onvoltooid, deelwoord |
| doorgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| doorgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorging | verleden tijd |
| doorging | bijzin, verleden tijd |
| doorgingen | bijzin, verleden tijd |
| doorgáán | canonical |
| er is doorgaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga door | gebiedende wijs |
| had doorgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorgaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorgaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorgaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorgaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) doorgaan door zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
dóórgaan, doorgáán [1]: samenstelling van door bw en gaan ww
Woordfamilie van doorgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorgaan |
| doorgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorgaan |
| doorgane | woordvorm | doorgaan |
| doorgegaan | voltooid deelwoord | doorgaan |
| doorgegane | woordvorm | doorgaan |
| doorging | subordinate-clause, verleden tijd | doorgaan |
| doorgingen | subordinate-clause, verleden tijd | doorgaan |
| ga door | gebiedende wijs | doorgaan |
| gaan door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorgaan |
| gaat door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorgaan |
| ging door | verleden tijd | doorgaan |
| gingen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorgaan zijn vastgelegd.