Naar de inhoud

voorgaan

voor iemand gaan

voorgaan

werkwoord ˈvorɣan

Betekenis

  1. voor iemand gaan
  2. de voorrang, de voorkeur hebben
  3. (van een klok) te snel lopen, voorlopen
  4. een godsdienstoefening leiden

Hoe spreek je voorgaan uit?

/ˈvorxan/

Voorgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvorxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
o boot
r rood
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. te snel lopen, voorlopen

Vervoeging van voorgaan

voorgaanhele werkwoord — ging voorverleden tijd enkelvoud — gingen voorverleden tijd meervoud — voorgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga voor ging voor
jij gaat voor ging voor
hij, zij, het gaat voor ging voor
wij gaan voor gingen voor
jullie gaan voor gingen voor
zij gaan voor gingen voor
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga voor gebiedende wijs
ging voor verleden tijd
is voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn voorgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal gaan bijzin, toekomende tijd
voor zou gaan bijzin, voorwaardelijk
voor zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
voor zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen gaan bijzin, toekomende tijd
voor zult gaan bijzin, toekomende tijd
voorga bijzin, tegenwoordige tijd
voorgaand onvoltooid, deelwoord
voorgaat bijzin, tegenwoordige tijd
voorgegaan verleden tijd, deelwoord
voorgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorging bijzin, verleden tijd
voorgingen bijzin, verleden tijd
waart voorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorgaan bijzin, toekomende tijd
zal voorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn voorgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorgaan bijzin, voorwaardelijk
zou voorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) voorgaan voor zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen voorgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorgaan bijzin, toekomende tijd
zullen voorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult voorgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorgaan bijzin, toekomende tijd
zult voorgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal voorgaan voor zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voor en gaan

Woordfamilie van voorgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga voor gebiedende wijs voorgaan
gaat voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorgaan
ging voor verleden tijd voorgaan
gingen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorgaan
voorga subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorgaan
voorgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorgaan
voorgegaan voltooid deelwoord voorgaan
voorging subordinate-clause, verleden tijd voorgaan
voorgingen subordinate-clause, verleden tijd voorgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorgaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorgaan

Hoe spreek je voorgaan uit?
De uitspraak van voorgaan is: /ˈvorɣan/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent voorgaan?
Voorgaan is een werkwoord. Het woord betekent: voor iemand gaan. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je voorgaan?
Je vervoegt voorgaan als volgt: het voltooid deelwoord is voorgegaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op voorgaan?

Voorgaan rijmt op 2 woorden op -oorgaan; doorgaan en teloorgaan bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op voorgaan, uitspraak ˈvorxan, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
doorgaan 2
teloorgaan 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorgaan is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. G 3
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorgaan levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. G 3
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorgaan in het kort

voorgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van voorgaan zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorgaan bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorgaan: voor iemand gaan
Deel voorgaan — standaardnederlands.nl