voorgaan
werkwoord ˈvorɣanBetekenis
- voor iemand gaan
- de voorrang, de voorkeur hebben
- (van een klok) te snel lopen, voorlopen
- een godsdienstoefening leiden
Hoe spreek je voorgaan uit?
/ˈvorxan/
Voorgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- te snel lopen, voorlopen
Vervoeging van voorgaan
voorgaanhele werkwoord — ging voorverleden tijd enkelvoud — gingen voorverleden tijd meervoud — voorgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga voor | ging voor |
| jij | gaat voor | ging voor |
| hij, zij, het | gaat voor | ging voor |
| wij | gaan voor | gingen voor |
| jullie | gaan voor | gingen voor |
| zij | gaan voor | gingen voor |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga voor | gebiedende wijs |
| ging voor | verleden tijd |
| is voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn voorgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voorga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorgaand | onvoltooid, deelwoord |
| voorgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| voorgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorging | bijzin, verleden tijd |
| voorgingen | bijzin, verleden tijd |
| waart voorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voorgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voorgaan voor zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voorgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voorgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voorgaan voor zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor en gaan
Woordfamilie van voorgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga voor | gebiedende wijs | voorgaan |
| gaat voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorgaan |
| ging voor | verleden tijd | voorgaan |
| gingen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorgaan |
| voorga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorgaan |
| voorgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorgaan |
| voorgegaan | voltooid deelwoord | voorgaan |
| voorging | subordinate-clause, verleden tijd | voorgaan |
| voorgingen | subordinate-clause, verleden tijd | voorgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorgaan zijn vastgelegd.