dispenseren
werkwoordBetekenis
- vrijgeven, uitdelen, distribueren
- schikken
Vervoeging van dispenseren
dispenserenhele werkwoord — dispenseerdeverleden tijd enkelvoud — dispenseerdenverleden tijd meervoud — gedispenseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dispenseer | dispenseerde |
| jij | dispenseert | dispenseerde |
| hij, zij, het | dispenseert | dispenseerde |
| wij | dispenseren | dispenseerden |
| jullie | dispenseren | dispenseerden |
| zij | dispenseren | dispenseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dispenseer | gebiedende wijs |
| dispenseerde | verleden tijd |
| dispensere | aanvoegende wijs |
| dispenserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedispenseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedispenseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedispenseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedispenseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedispenseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedispenseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedispenseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedispenseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedispenseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedispenseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedispenseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedispenseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedispenseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedispenseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedispenseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedispenseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedispenseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedispenseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dispenseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedispenseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dispenseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedispenseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedispenseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedispenseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedispenseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedispenseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedispenseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedispenseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedispenseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedispenseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedispenseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dispenseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedispenseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedispenseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedispenseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dispenseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedispenseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vrijstellen’ voor het eerst aangetroffen in 1672
Woordfamilie van dispenseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dispenseer | gebiedende wijs | dispenseren |
| dispenseerde | verleden tijd | dispenseren |
| dispenseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dispenseren |
| dispenseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dispenseren |
| dispensere | aanvoegende wijs | dispenseren |
| dispenserend | onvoltooid deelwoord | dispenseren |
| dispenserende | woordvorm | dispenseren |
| gedispenseerd | voltooid deelwoord | dispenseren |
| gedispenseerde | woordvorm | dispenseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dispenseren zijn vastgelegd.