dispenser
zelfstandig naamwoordBetekenis
- apparaat dat er voor dient om een kleine afgepaste portie uit een grotere voorraad te nemen
zelfstandig naamwoord — masculine
- apparaat of ander soort houder waarmee men een kleine afgepaste portie uit een grotere voorraad kan nemen, bijv. tabletten of een vloeistof zoals zeep
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dispensers | meervoud |
| dispensertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dispensertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘doosje voor tabletten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1979
Woordfamilie van dispenser
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dispensers | meervoud | dispenser |
| dispensertje | verkleinwoord | dispenser |
| dispensertjes | verkleinwoord meervoud | dispenser |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dispenser zijn vastgelegd.