dijen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdɛijə(n)Betekenis
- toenemen, groeien, tot wasdom komen
Hoe spreek je dijen uit?
/ˈdɛijən/
Dijen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛi | trein |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dijen
dijenhele werkwoord — dijdeverleden tijd enkelvoud — dijdenverleden tijd meervoud — gedijdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dij | dijde |
| jij | dijt | dijde |
| hij, zij, het | dijt | dijde |
| wij | dijen | dijden |
| jullie | dijen | dijden |
| zij | dijen | dijden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dij | gebiedende wijs |
| dijde | verleden tijd |
| dije | aanvoegende wijs |
| dijend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedijd | verleden tijd, deelwoord |
| gedijd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedijd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dijen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gedijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dij
Herkomst
ww: erfwoord via Middelnederlands diën van Oudnederlands thian, in de betekenis ‘groeien’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Woordfamilie van dijen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dijde | verleden tijd | dijen |
| dijden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dijen |
| dije | aanvoegende wijs | dijen |
| dijend | onvoltooid deelwoord | dijen |
| dijende | woordvorm | dijen |
| dijt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dijen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dijen zijn vastgelegd.