dij
zelfstandig naamwoord, werkwoord /dɛj/Betekenis
- het deel van het menselijk been tussen heup en knie
- die
Hoe spreek je dij uit?
/dɛj/
Dij bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛ | bed |
| j | ja |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dijen | meervoud |
| dijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dijen
- gebiedende wijs van dijen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dijen
Vervoeging van dij
dijhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bovenbeen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van dij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dijtje | verkleinwoord | dij |
| dijtjes | verkleinwoord meervoud | dij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dij zijn vastgelegd.