dichttrekken
werkwoordBetekenis
- (van de lucht) helemaal met wolken of mist bedekt worden
werkwoord
- helemaal met wolken of mist bedekt worden ergative
- door trekken sluiten transitive
Vervoeging van dichttrekken
dichttrekkenhele werkwoord — trok dichtverleden tijd enkelvoud — trokken dichtverleden tijd meervoud — dichtgetrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trek dicht | trok dicht |
| jij | trekt dicht | trok dicht |
| hij, zij, het | trekt dicht | trok dicht |
| wij | trekken dicht | trokken dicht |
| jullie | trekken dicht | trokken dicht |
| zij | trekken dicht | trokken dicht |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te trekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen trekken | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult trekken | bijzin, toekomende tijd |
| dichtgetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgetrokken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgetrokken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgetrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgetrokken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgetrokken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgetrokken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgetrokken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgetrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgetrokken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgetrokken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichttrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichttrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| dichttrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichttrok | bijzin, verleden tijd |
| dichttrokken | bijzin, verleden tijd |
| er is dichtgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was dichtgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd dichtgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt dichtgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgetrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgetrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou dichtgetrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou dichtgetrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben dichtgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichttrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trek dicht | gebiedende wijs |
| trok dicht | verleden tijd |
| waart dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt dichtgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dichtgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal dichtgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichttrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichttrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dichttrekken dicht zou(dt) trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichttrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichttrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dichtgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichttrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichttrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichttrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dicht en trekken
Woordfamilie van dichttrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtgetrokken | voltooid deelwoord | dichttrekken |
| dichttrek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichttrekken |
| dichttrekke | with-subordinate-clause | dichttrekken |
| dichttrekkend | onvoltooid deelwoord | dichttrekken |
| dichttrekkende | woordvorm | dichttrekken |
| dichttrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichttrekken |
| dichttrok | subordinate-clause, verleden tijd | dichttrekken |
| dichttrokken | subordinate-clause, verleden tijd | dichttrekken |
| trek dicht | gebiedende wijs | dichttrekken |
| trekke dicht | woordvorm | dichttrekken |
| trekken dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichttrekken |
| trekt dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichttrekken |
| trok dicht | verleden tijd | dichttrekken |
| trokken dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichttrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichttrekken zijn vastgelegd.