dichtvallen
werkwoordBetekenis
- dichtgaan
Vervoeging van dichtvallen
dichtvallenhele werkwoord — viel dichtverleden tijd enkelvoud — vielen dichtverleden tijd meervoud — dichtgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val dicht | viel dicht |
| jij | valt dicht | viel dicht |
| hij, zij, het | valt dicht | viel dicht |
| wij | vallen dicht | vielen dicht |
| jullie | vallen dicht | vielen dicht |
| zij | vallen dicht | vielen dicht |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| dichtgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtvallend | onvoltooid, deelwoord |
| dichtvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtviel | bijzin, verleden tijd |
| dichtvielen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn dichtgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichtvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val dicht | gebiedende wijs |
| viel dicht | verleden tijd |
| waart dichtgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dichtgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichtvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dichtgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichtvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dichtvallen dicht zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichtvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichtvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dichtgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichtvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult dichtvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult dichtvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal dichtvallen dicht zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dicht en vallen
Woordfamilie van dichtvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtgevallen | voltooid deelwoord | dichtvallen |
| dichtval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtvallen |
| dichtvalle | with-subordinate-clause | dichtvallen |
| dichtvallend | onvoltooid deelwoord | dichtvallen |
| dichtvallende | woordvorm | dichtvallen |
| dichtvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtvallen |
| dichtviel | subordinate-clause, verleden tijd | dichtvallen |
| dichtvielen | subordinate-clause, verleden tijd | dichtvallen |
| val dicht | gebiedende wijs | dichtvallen |
| valle dicht | woordvorm | dichtvallen |
| vallen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichtvallen |
| valt dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichtvallen |
| viel dicht | verleden tijd | dichtvallen |
| vielen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichtvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtvallen zijn vastgelegd.